veiligheidsdocument voor trainingen en wedstrijden

                    

Den Helder,

24 juli 2013


VOORWOORD

De voor u liggende leidraad met betrekking tot het veilig beoefenen van de atletieksport is bedoeld als een handleiding voor trainers, het bestuur, leden van de commissies baan- en wegactiviteiten, de commissie wedstrijdcoördinatie, juryleden en andere belanghebbenden.

We realiseren ons dat de handleiding geen 100% garantie geeft, maar wel een waardevol hulpmiddel kan zijn voor alle betrokkenen en geïnteresseerden.

Veiligheid

Over veiligheid is veel te schrijven. Veiligheid is het bewust nemen van een aanvaardbaar risico. Totale veiligheid bestaat niet. Aan alles is een risico verbonden. Risico’s zijn verbonden met alle aspecten van het leven, dus ook bij het bedrijven van de atletieksport. Risico’s kunnen beperkt worden door maatregelen te treffen, maar risico’s kunnen niet worden weggenomen. Er blijft altijd een restrisico en daar moet op een professionele manier mee worden omgegaan tijdens de beoefening van de atletieksport.

Een risico is aanvaardbaar als:

1. degene die het risico neemt ook het gevaar kent en de gevolgen en de kans daarop kan

inschatten;

2. het gevaar zoveel mogelijk beperkt kan worden, zowel voor jezelf als voor omstanders;

3. het nut of het te behalen voordeel te verkrijgen is, dat niet op een minder riskante manier kan worden verkregen.

Bij dit veiligheidsplan worden bepaalde basisbegrippen in de atletieksport als bekend beschouwd.

Daarnaast wordt er aandacht besteed aan het Arbobeleid en de onderwerpen die hiermee in verband staan en zorgen voor een verhoogde mate van veiligheid.

Er zullen zeker een aantal punten aan de orde komen die als vanzelfsprekend worden gezien en sommige punten zullen voor bepaalde groepen zwaarder wegen dan voor andere groepen.

Toch zijn we van mening dat we nooit genoeg, zeker voor de beginnende ongediplomeerde

trainer/begeleider, aandacht vragen voor het veiligheidsaspect binnen de atletieksport.


In deze leidraad komen achtereenvolgens aan de orde:

  1. A.Algemeen
  2. B.Randvoorwaarden en algemene veiligheidsmaatregelen.
  3. C.Arbowetgeving
  4. D. Werpnummers algemeen en vervolgens specifiek per onderdeel.
  5. E. Springnummers algemeen en vervolgens specifiek per onderdeel.
  6. F. Lopen algemeen en vervolgens specifiek hordelopen.
  7. G. Veiligheidsmaatregelen bij krachttraining.
  8. H. Veiligheid binnen de zaaltraining.
  9. I. Veiligheid tijdens wedstrijden.
  10. J.Bijlage 1: Meldingsformulier van een ongeval.
  11. K.Bijlage 2: Checklists van de werpnummers.
  12. L.Bijlage 3: Inhoud verbandtrommel.
  13. M.Bijlage 4:veiligheidsprotocol voor baanwedstrijden
  14. N.Bijlage 5: veiligheidsprotocol voor trainingen buiten het sportpark


 

  1. A.Algemeen.
  2. 1.Atleten en trainers dienen zich in het algemeen zodanig te gedragen dat zij de veiligheid van zichzelf en anderen niet in gevaar brengen.
  3. 2.Ongediplomeerde trainers staan altijd onder begeleiding van een gediplomeerde trainer. Dit betekent dat ongediplomeerde trainers nooit alleen voor een groep mogen staan.
  1. B. Randvoorwaarden en algemene veiligheidsmaatregelen
  2. Er dient een complete E.H.B.O.-uitrusting op de baan aanwezig te zijn, bereikbaar voor trainers/begeleiders/EHBO’ers, zowel tijdens de trainingen als tijdens de wedstrijden. De commissie wedstrijdondersteuning is verantwoordelijk voor de EHBO-uitrusting. In bijlage 3. wordt vermeld waaruit een complete EHBO-uitrusting bestaat.
  3. Tijdens de trainingen moet er altijd iemand aanwezig zijn met een EHBO-diploma.
  4. Er dient altijd telefonisch contact gemaakt kunnen worden (mobiele telefoon of vaste aansluiting). Op de trainingslocatie dient aanwezig te zijn: telefoonlijst met belangrijkste telefoonnummers, alarmnummer, ziekenhuis, dienstdoende arts, ledenlijst t.b.v. waarschuwen ouders.
  5. Alle ruimtes van het clubgebouw en het Marinegebouw (zowel de materiaalberging als de kantine en de kleedkamers) dienen netjes gehouden te worden. Geen kleding, tassen, materialen, fietsen, etc. rond laten slingeren. Bij de training gebruikte materialen dienen op de juiste plaats en wijze opgeborgen te worden.
  6. Geen kauwgum, snoep, sieraden en mobiele telefoons tijdens het sporten.
  7. Zorg voor juiste kleding en schoenen (veters vast en spikes meenemen).
  8. Zorg ervoor dat je zelf (als trainer) het goede voorbeeld geeft. Ook van de oudere atleten mag een dergelijke houding verwacht worden.
  9. De trainingen dienen door de trainers goed voorbereid te worden (periodeplanning, jaarplanning, etc.). Er dient een vast schema te zijn voor de verschillende groepen en onderdelen, gericht op een veilige uitvoerbaarheid. Een juiste methodiek is van essentieel belang.
  10. Zorg voor een goede warming-up, niet inlopen op de binnenbaan, geef onderdelen die veel concentratie vergen aan het begin van de training. Verg niet te lang achter elkaar volle concentratie (dit geldt voor zowel de atleten als de trainers).
  11. Er moet een gevoel van medeverantwoordelijkheid bij alle begeleiders/leden ontwikkeld worden, zodat we elkaar op een goede manier kunnen wijzen op eventuele fouten in de organisatie van de trainingen, die gevaarlijk kunnen zijn.
  12. De groep die getraind wordt dien je goed onder controle te hebben. Probeer met de juiste pedagogische maatregelen de motivatie en oplettendheid van de atleten te vergroten.
  13. Schroom niet om lastige atleten op hun gedrag te wijzen. Geef een waarschuwing of laat de desbetreffende atleet even ‘afkoelen’ en praat na afloop met hem of haar en eventueel de ouders (zie ook Anti-Pest-beleid).
  14. Ga nooit staan schreeuwen of pak iemand ruw beet, want dan heb je pedagogisch gezien geen andere hulpmiddelen meer.
  15. Is de sfeer en onderlinge verstandhouding op een bepaald moment in de groep onvoldoende voor een veilige training, pas dan je programma aan en ga niet trainen op werpnummers.
  16. Baanregels (o.a. materiaalgebruik) dienen aan alle atleten bekend te zijn. Houdt rekening met andere groepen
  17. Wees altijd VOORZICHTIG bij het oversteken van de baan of het veld. In welke banen wordt gelopen, zijn er werptrainingen?
  18. Loop niet dwars door andere trainingsgroepen heen.
  19. Zorg voor een veilig vervoer van het te gebruiken materiaal vanuit de berging naar de trainingsplek en weer terug. Doe dit zelf of laat je assisteren door 1 of meerdere atleten.
  20. Ruim na afloop gelijk al het materiaal op !!!
  21. Spreek onderling, indien nodig, met de betreffende trainers een baanindeling af en het veilig benutten van de ruimte. Wie gaat wat doen.
  22. Bij slechte weersomstandigheden (gladde baan door regen of bevriezing, koude of hitte) dienen de trainingen overeenkomstig aangepast te worden. Wees o.a. attent op:
    1. gladde afzet bij hoogspringen, speerwerpen, hordelopen, polsstokhoogspringen (gebruik spikes);
    2. bevroren grond in de verspringbak;
    3. bij onweer (indien binnen 10 seconden na een bliksemflits de donderslag volgt) moeten baan en veld worden vrijgemaakt en moet iedereen in het clubgebouw blijven.
  23. Er dient melding gedaan te worden van ongevallen, bijna ongevallen en andere situaties de veiligheid betreffende. De ouders worden geïnformeerd.
  24. De betrokken trainer vult na afloop het meldingsformulier in verkrijgbaar in het clubgebouw via een trainer.
  25. Er dienen infokaarten (checklist, tekening, etc.) te komen met daarop vermeld de veiligheidsregels bij de desbetreffende atletiekonderdelen ten behoeve van de begeleiders, juryleden en eventueel ouders.
  1. C.Arbo wetgeving

a. Algemeen

Arbowetgeving is van toepassing op betaalde en onbetaalde krachten. Daarnaast is het van

toepassing op iedereen die deelneemt aan activiteiten van de vereniging zoals: trainingen en

wedstrijden. Het bestuur is eindverantwoordelijke en is verplicht om iemand aan te stellen als aanspreekpunt voor Arbozaken. Iedere vereniging dient aangesloten te zijn bij een gecertificeerde Arbodienst. De Arbowetgeving heeft een aantal eisen die vastgelegd zijn in dit plan en zijn direct van invloed op de veiligheid binnen de atletiek vereniging. Deze eisen / onderwerpen zullen hieronder kort besproken worden.

b. Arbo- eisen

1. Bedrijfshulpverlener

Verenigingen zijn verplicht om een bedrijfshulpverlener (BHV) aan te stellen. Het takenpakket van een BHV’er bestaat uit:

  • het verlenen van eerste hulp bij ongevallen;
  • het bestrijden en het beperken van brand en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand;
  • het in noodgevallen alarmeren en evacueren van alle medewerkers en andere personen in de verenigingsgebouwen;
  • het onderhouden van verbindingen met externe diensten of instellingen op het gebied van hulpverlening, zoals de brandweer en ambulancediensten.
  • Er dient als vereniging gestreefd te worden naar een zo hoog mogelijk percentage EHBO’ers (het liefst met een aantekening sport EHBO en reanimatie). Bij wedstrijden is het noodzakelijk tenminste twee EHBO’ers paraat te hebben.

2. Voorlichting

Het is wettelijk verplicht dat er in het Arbobeleid van een organisatie aandacht wordt geschonken aan voorlichting en instructie met betrekking tot veiligheid en gezondheid in de breedste zin van het woord. Ook is het aan te bevelen om tijdens de juryvergadering voorafgaand aan een wedstrijd aandacht te besteden aan gevaren en risico’s. Hier ligt dus ook een taak voor de wedstrijdleider.

3. Bijzondere groepen

De indeling in een “bijzondere groep” gebeurt onder andere op basis van leeftijd van de

werknemers/ vrijwilligers. Jongeren zijn onervaren en zien niet altijd de gevaren in van bepaalde handelingen. Ouderen overzien de gevaren beter anderzijds hebben ouderen vaker lichamelijke beperkingen. Ook mensen met gezondheidsklachten en of andere lichamelijke beperkingen vormen andere “bijzondere groepen”.

4. Lichamelijke belasting

Het uitgangspunt van de Arbowetgeving m.b.t. lichamelijke belasting is dat het voorkomen moet worden dat er lichamelijke aandoeningen ontstaan als gevolg van verrichte werkzaamheden. Om dit uitgangspunt te ondersteunen zijn er een aantal regels opgesteld:

  • zo mogen werknemers niet langer dan twee uur achter elkaar staan
  • er mogen geen voorwerpen zwaarder dan 25kg getild worden. Voor vrouwen en bij gedraaid tillen ligt deze norm veel lager.
  • De werknemer is verplicht om voor normoverschrijdende gevallen transport beschikbaar te stellen.
  • Wanneer geluid op de werkplek de 80db overschrijd dient de werknemer zijn werkgevers gehoorbeschermers beschikbaar te stellen en het gehoor van de desbetreffende werknemers op zijn kosten te laten testen. In de atletieksituatie kan in verschillende situaties geluidsoverlast optreden. Zoals bij het gebruik van apparaten in de krachttrainingruimte, de geluidsinstallatie op de baan, het lossen van een startschot etc.
  • werken op hoogte valt niet direct onder de kop Lichamelijke belasting. Werken op hoogte komt met name voor bij juryleden en microfonisten. Werken op een hoogte hoger dan 2,5 meter is niet toegestaan.

5. Calamiteitenplan

Dit houdt onder meer in dat er een plattegrond opgehangen dient te worden waarop zichtbaar is waar de nooduitgangen, het EHBO - materiaal, brandblussers etc. zich bevinden en hoe de vluchtroute loopt. Daarnaast is het verplicht om regelmatig een calamiteitenoefening te houden. Dit kunnen bijv. een ontruimingsoefening zijn van het clubgebouw en/ of een fictieve EHBO- oefening met slachtoffers. Binnen dit kader valt ook dat er voldoende EHBO- voorzieningen aanwezig zijn. Zowel materiële middelen (EHBO- trommel) als intellectuele middelen (voldoende geschoolde mensen) die de EHBO kunnen geven. Er dient altijd een bedrijfshulpverlener aanwezig te zijn.

6. Accommodatie

- Trappen/ bordessen dienen onder alle omstandigheden veilig te zijn

- Gebouwen dienen snel ontruimd te kunnen worden

- Verplichte risicoanalyse.

- Periodiek overleg met de eigenaar/ beheerder van de accommodatie,

NOC*NSF keurt A,B of C accommodaties goed en stelt specifieke eisen aan het gebruik

van de accommodatie. Voor de inspecties van de trainingsaccommodatie wordt een

beroep gedaan op de accommodatie- adviseurs van de KNAU, die daartoe een visuele

inspectie uitvoeren. Deze keuringen zijn eens in de vijf jaar verplicht

7. Verantwoordelijkheden

Bestuur

Binnen de Arbowetgeving is er de verplichting dat personeelsleden voldoende gekwalificeerd en

opgeleid zijn.

Trainer

De trainer is verantwoordelijk voor de organisatie van de training en de veiligheid binnen de

groep. De trainer dient ook aandacht te besteden aan de sociale veiligheid.

Atleet

Atleten dienen zich te houden aan de instructies die hen door de trainers worden gegeven

daarnaast dienen ze zich te houden aan “regels voor veilig gebruik van de accommodatie’’.

Atleten hebben de verantwoordelijkheid om alleen deel te nemen aan een training/ wedstrijd als zij zich sportmedisch gezien fit voelen of daarover een sportmedisch advies hebben ingewonnen.

  1. D.Trainingen
  1. a.Werpnummers

Algemeen

  1. Andere trainingsgroepen dienen op een veilige afstand te staan en niet in het verlengde van de werp-/stootrichting. Er dient een vrij veld te zijn.
  2. Zorg voor afbakening van het te gebruiken terrein (pylonen, vlaggen, linten, o.i.d.).
  3. Groepsgrootte niet meer dan 10 atleten.
  4. Probeer de werptrainingen met twee trainers te geven, indien mogelijk, tot en met de C-junioren; buiten de eigen trainer nog een extra hulptrainer.
  5. Laat bij de uitleg het trainingsmateriaal neerleggen (discus, kogel) of rechtop in de grond zetten (speer).
  6. Houdt steeds goed overzicht over de hele groep, maar ga niet recht voor de groep staan.
  7. Bij het halen en wegbrengen van het werpmateriaal wordt dit vastgehouden in de hand (speren rechtop met punt naar beneden) of vervoer in een karretje (kogels en disci).
  8. Er wordt geen kogelslingeren beoefend tot en met de C-junioren.
  9. Er wordt geen speer-en discuswerpen aan pupillen gegeven.
  10. Zorg voor afbakening met pylonen van de tussenafstanden bij het groepsgewijs werpen. Bij het werpen in twee groepen staat de 2e groep op ruime afstand achter de 1e groep werpers (aangeven met lint of pylonen).
  11. Controleer streng of de commando’s strikt opgevolgd worden en kijk of het veld vrij is voordat je het commando ‘WERPEN’ geeft. Klááááár----------WERPEN----------(controleer of iedereen geworpen heeft!) En dan pas----------HALEN---------- (eventueel door 2e groep, werpers achteruit).
  12. Materiaal voorzichtig ophalen (wandelen!) en oppakken (speren!). Terugwandelen naar de werpplaats (nooit terugwerpen of rollen, SPEREN rechtop dragen, punt naar beneden).
  13. Liever niet tegen de zon in werpen.
  14. Liever niet met nat weer werpen.
  15. Niet te dicht langs de baan of springaccommodatie werpen.
  16. Speerwerpen en discuswerpen vinden niet tegelijkertijd plaats aan dezelfde kant, maar aan weerskanten van het veld. Dit betreft de korte zijde van het veld.
  17. Alleen GEDIPLOMEERDE TRAINERS mogen kogelstoten, discuswerpen of speerwerpen laten oefenen.

Werpnummers specifiek

I. Kogelstoten

  1. Bij klassikaal stoten: onderlinge afstand 2 meter tussen de deelnemers.
  2. De 2e groep op 2 meter achter de 1e groep.
  3. Bij pupillengroepen: niet de kogel achterover laten werpen.
  4. Er mogen geen kogels voor de balk in de bak liggen i.v.m. het blessurerisico als hier op gestapt wordt.
  5. Kogelstoten mag alleen gedaan worden vanuit de kogelstootring of vanaf een daartoe bestemd/aangewezen (tegel-)plateau.
  6. Bij een kogelstootsector op gravel dient aan het einde van de kogelstootsector een houten balk het doorrollen van de kogels tegen te gaan.

II. Discuswerpen

  1. Bij klassikaal werpen: onderlinge afstand 3 meter tussen de deelnemers. De 2e groep op 3 meter achter de 1e groep.
  2. Bij rollen is de rechte lijnopstelling mogelijk.
  3. Bij de werpbeweging (uit stand) dient de visgraatopstelling gebruikt te worden (linkshandige werpers aan de linkerkant).
  4. De draaivorm (hele draai of meer) dient uitsluitend vanuit de ring geoefend te worden en iedereen buiten de kooi! De netten moeten vanzelfsprekend goed zijn aangebracht.
  5. Disci mogen alleen uit een daartoe geschikte werpkooi worden geworpen.
  6. Bij discuswerpen is het van groot belang dat er zich niemand bevindt in de werpsector en een ruim gebied daarnaast/daarachter (een discus kan doorglijden).

III. Speerwerpen

  1. Bij klassikaal werpen: onderlinge afstand 3 meter tussen de deelnemers. De 2e groep op 3 meter achter de 1e groep.
  2. Draag de speer met de punt naar beneden.
  3. Wees voorzichtig met de speer uit het gras te trekken (staat er niemand achter me!) en herstel de grasmat.
  4. Bij speerwerpen is het van groot belang dat er zich niemand in de werpsector en een ruim gebied daarnaast/daarachter bevindt.
  1. b.Springnummers

Algemeen

Let in het algemeen op gladheid van de aanloop en afzetvlak.

Springnummers specifiek

I. Verspringen / Hink-stap-sprong

  1. Zorg voor een egaal zandoppervlak en houdt de aanloop schoon.
  2. Wees voorzichtig met harken en scheppen, zodat niemand er over struikelt.
  3. Niet springen over touw dat aan palen vastzit (gebruik elastisch toverkoord, aan één kant los of in de hand vasthouden).
  4. Na de sprong niet door de bak teruglopen (omloopmarkering).
  5. Controleer het zand op scherpe voorwerpen en let op te harde ondergrond (bijvoorbeeld vorst in de grond of na langdurig regenen).
  6. Na iedere sprong dient het “landingsgat” dichtgemaakt te worden.
  7. De balken die gebruikt worden voor de afzet mogen niet “uitgesleten” zijn en moeten op eenzelfde niveau liggen als de rest van de aanloop.
  8. De afstand tussen de afzetbalk en de bak, moet dusdanig zijn dat iedereen veilig in de bak kan landen.

II. Hoogspringen

  1. Afstand verrijdbare kap tot mat moet minstens 3 meter zijn.
  2. Geen obstakels aan de zijkant van de matten.
  3. Niet te snel met een lat beginnen, bij beginners en bij bepaalde trainingsvormen verdient het gebruik van een elastisch toverkoord de voorkeur.
  4. Zorg door middel van aanloopmarkeringen dat de atleten rechts c.q. links voor de mat afzetten.
  5. Leer een veilige rugwaartse landing aan.
  6. Let op bij afzetimitaties voor de mat langs (veiligheidsaspect: atleet is hierdoor makkelijker uit evenwicht te brengen.
  7. atleten dienen na hun sprong de mat aan de zijkant te verlaten en daarna met een ruime bocht naar het beginpunt van hun aanloop terug te lopen (zodat de aanloop vrij blijft voor andere springers)

III. Polsstokhoogspringen

  1. Bij droog weer.
  2. Juiste stok overeenkomstig vaardigheid, snelheid en gewicht van de atleet.
  3. Geen obstakels aan de zijkant van de matten.
  4. Bij alle vormen moet de trainer onmiddellijk in kunnen grijpen en vangen.
  5. Als de lat gebruikt wordt, mag deze niet vast tussen de staanders liggen. De lat dient aan de bovenkant rond te zijn en onbeschadigd.
  1. c.Loopnummers

Algemeen

  1. Duidelijke afspraken in welke banen en over welke afstanden wordt gelopen.
  2. Bij nat weer liever niet op het gras lopen.
  3. Niet in tegengestelde richting lopen; er mag wel terug gewandeld of gedribbeld worden (altijd aan de buitenkant van de baan).
  4. De binnenbaan dient zo veel mogelijk vrij gehouden te worden. Iedereen die klaar is met lopen, dient de binnenbaan zo snel mogelijk te verlaten.
  5. Zorg voor voldoende uitloopruimte.
  6. De regel is dat baan 1 en 2 vrijgehouden worden voor diegenen die lopen. Dat betekent dat als er (andere) atleten trainen in deze banen daar:
    1. geen estafettetrainingen gehouden mogen worden
    2. geen materiaal geplaatst mag worden.

Lopen specifiek

I. Hordelopen

  1. Zorg voor deugdelijk materiaal (geen kapotte bovenlatten).
  2. Controleer positie contragewichten bij gebruik wedstrijdhorden (gevorderden).
  3. Niet vanuit verkeerde richting over de horden lopen (zij vallen dan bij eventuele aanraking niet om).
  4. Differentieer naar geoefendheid (snelheid en lichaamslengte).
  5. Liever niet tegen de zon in laten lopen.

II. Steeplechase

  1. Zorg voor deugdelijk materiaal (goed onderhouden en complete balken)
  2. Zorg voor goede en veilige borgingen aan Hordes:
    1. Geen uitstekende (scherpe) pennen
    2. De hoogteverstelling moet goed vast staan zonder speling en uitsteeksels
  3. Zorg voor goed onderhouden waterbak:
    1. Schoon vers water
    2. Goede stevige ondergrond
    3. Geen vervuiling in het water (bladeren, restafval)


 

  1. d.Krachttraining

HET IS NIET TOEGESTAAN OM ALLEEN IN DE KRACHTTRAININGRUIMTE TE ZIJN OM TE TRAINEN, ALTIJD MET MEERDERE ATLETEN EN DESKUNDIGE BEGELEIDING !!!

  1. Alle gewichten dienen direct na gebruik weer van de apparatuur of halters afgehaald en opgeborgen te worden op de juiste plaats.
  2. Vooraf controleren of het materiaal in orde is, bijvoorbeeld of de sluitringen vastgezet zijn en de gewichten, die bedoeld zijn, er ook echt aan zitten.
  3. Krachttrainingruimte is een gecontroleerde ruimte, d.w.z. géén spelletjes en ‘even’ uitproberen.
  4. De apparaten en halters mogen alleen volgens de “gebruiksaanwijzing” gebruikt te worden.
  5. Houdt de krachttrainingruimte ordelijk en netjes.
  1. e.Zaaltraining
  1. Een goede voorbereiding van de training werkt preventief.
  2. Goed schoeisel, géén kauwgom, kettinkjes, horloges, mobieltjes, etc. (neem waardevolle spullen niet mee naar de training).
  3. Let op obstakels in de zaal, bijvoorbeeld: uitstekende slingers; touwen van de ringen (eventueel in muurkasten); uitstekende delen in de toestelberging.
  4. Gebruik géén ‘turntoestellen’ (ringen, rekstok, brug, etc.) als onderdeel.
  5. Géén hoge klim- en klautersituaties.
  6. Bij (ver)springonderdelen: let op veilige landing (dikke mat).
  7. Hoogspringen: palen op de valmat zetten en als koord een elastisch toverkoord gebruiken. Kleine matjes aan de zijkant. Bevestig het koord met een lus aan de hoogteverstelling.
  8. Tikspelen: blijf binnen de gele lijnen (niet te dicht langs de muur!).
  9. Niet in de lengterichting over een bank laten rennen.
  10. Loop-en estafettevormen: lijn of pylon als keerpunt (niet de muur!).
  11. Bij training op starts of (korte) sprints is het van groot belang dat er voldoende uitloopruimte is/wordt genomen.
  12. Werponderdelen: let op veilige tussenafstanden. Atleten moeten op commando’s reageren.


 

  1. E.Veiligheid tijdens wedstrijden

Veilig werken is voor een goed verloop van een wedstrijd van het grootste belang.

Buitenwedstrijden

Algemeen

  1. Brancard controleren op aanwezigheid en bruikbaarheid.
  2. Trappen (ook jurytrappen) en ladders tijdig op veiligheid controleren.
  3. Let op kinderen met een bal buiten de baan.
  4. Huisdieren altijd aangelijnd en niet op de baan.

Loopnummers

  1. Kinderen, publiek en niet-deelnemende atleten aan de buitenzijde van de baan.
  2. Finish (uitloop) vrijhouden.
  3. Startblokken en baanaanduidingen bij 400 meter en 4 x 100 meter in baan 1 en 2 direct na de start weghalen.
  4. Bij 4 x 400 meter alle blokken en baanaanduidingen weghalen.
  5. Deelnemers buitenom naar de start.
  6. Bij horden: afstanden, hoogten en glijgewichten controleren.

Springnummers

  1. Pylon plaatsen als er niet mag worden gesprongen, bijvoorbeeld tijdens meten of harken.
  2. Indien er geen pylon aanwezig is, dan werken met rode en witte vlag.
  3. Een vochtige en gladde afspringplaats betekent voor de springer blessuregevaar; afspringplaatsen vergen daarom (vooral bij regen) bijzondere aandacht.
  4. Bij hoog en polshoog moeten de landingsmatten tegen elkaar aansluiten.
  5. Geen zittende mensen achterop de hoogspringmat; mat geheel vrij houden.
  6. Er mogen geen voorwerpen (schoenen e.d.) in de weg liggen op de aanloopbaan.
  7. Bij ver- en hink-stap-springen moet het zand in de springbak diep los gespit zijn.
  8. De hark en ander gereedschap dienen tijdens de sprong voldoende ver van de bak te liggen.
  9. De hark mag nooit met de punten naar boven liggen.
  10. Aanloopbanen zo mogelijk afzetten (oversteken tijdens de aanloop is zeer gevaarlijk).
  11. Vrije uitloop bij ver- en hink-stap-springen achter de springbak.
  12. Wegens verhoogd risico dienen springlatten bij polshoog bij voorkeur van kunststof te zijn.
  13. Polsstokspringers zo mogelijk niet tegen de zon of schijnwerper in laten springen;
    1. zo mogelijk ook rekening houden met zijwind.
    2. Hinderlijke gereedschappen (ladder, meetlat, e.d.) mogen niet in de nabijheid van de springplaats liggen.
    3. Juryleden moeten zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de insteekbak bevinden, omdat gebroken en/of terugspringende polsstokken verwondinggevaar betekenen.


 

Werpnummers

GEEN PUBLIEK OP HET MIDDENTERREIN

  1. Inwerpen dient onder toezicht van de voor dat nummer aangewezen juryleden te geschieden, alléén voor de aanvang van het desbetreffende nummer.
  2. Werpmateriaal dient na de worp te worden teruggebracht.
  3. Pylon plaatsen als er niet mag worden geworpen, bijvoorbeeld tijdens het meten.
  4. Indien er geen pylon aanwezig is, dan werken met rode en witte vlag.
  5. Beslist geen publiek in de nabijheid van de werpkooi.
  6. Juryleden en deelnemers dienen minstens enkele meters buiten het net te gaan staan.
  7. De kooi dient te zijn goedgekeurd en geschikt te zijn bevonden voor het desbetreffende nummer.

Indoorwedstrijden

  1. Niemand buiten de deelnemers en juryleden op het middenterrein toelaten.
  2. Zorgen voor bescherming van de lopers op de sprintnummers bij de uitloop (bijvoorbeeld schuimrubber aanbrengen).
  3. Gelijktijdige verwerking van nummers zoveel mogelijk vermijden of anders bijzondere aandacht schenken aan het voorkomen van het elkaar hinderen door deelnemers en juryleden.
  4. Extra aandacht besteden aan inlopen, inspringen en instoten.
  5. Extra aandacht besteden aan de springaccommodatie,
    1. beschikbare vrije hoogte voor polsstokhoogspringen,
    2. diepte van de zandbak bij ver- en hink-stap-springen.

Crosswedstrijden

  1. Begin en het einde van het parcours moeten vlak zijn over een lengte van ten minste 80 meter.
  2. Hoge hindernissen, diepe uithollingen, gevaarlijke beklimmingen of afdalingen en in het algemeen extreme moeilijkheden moeten worden vermeden.
  3. Kunstmatige hindernissen bij voorkeur niet gebruiken, als dit echter noodzakelijk wordt geacht moeten deze zoveel mogelijk nabootsingen zijn van natuurlijke hindernissen.
  4. Bij grote deelname nauwe doorgangen of andere obstakels tijdens de eerste 1500 meter vermijden.

Wegwedstrijden

  1. Het verdient aanbeveling dat het gehele parcours waarop de wedstrijd wordt gehouden in beide richtingen is afgesloten, dat wil zeggen: niet open voor gemotoriseerd verkeer.
  2. Er mag gebruik gemaakt worden van fiets- of voetpaden.
  3. Duidelijk kenbaar maken of het parcours autovrij is.
  4. Er moeten maatregelen genomen worden zodat bij oversteekplaatsen de veiligheid van de atleten geborgd is, door inzet van vrijwilligers of andere controlerende instanties.


 

Bijlage 1

Meldingsformulier van een voorval

Initiële Acties:

  1. Bij een ongeval direct E.H.B.O. (laten) verlenen.
  2. De desbetreffende ouders inlichten.
  3. De vertegenwoordiger van de Commissie wedstrijdcoördinatie waarschuwen.
  4. Laat de situatie zich ernstig aanzien, dan wordt de ambulance gebeld (alarmnummer 112).
  5. De betreffende trainer vult nog dezelfde dag dit meldingsformulier in en levert dat in bij zijn vertegenwoordiger van de Commissie wedstrijdcoördinatie

Ondernomen acties:

O            Ter plekke EERSTE HULP verleend

O            Ouders ingelicht

O            Atleet begeleidt naar EERSTE HULP van het ziekenhuis

O            Alarmnummer 112 - Ambulance gebeld

O            Vertegenwoordiger van de CWC ingelicht


Melding

Betrokken atleet             :

Categorie                           :

Betrokken trainer           :

Datum voorval                 :

Tijd                                        :

Plaats                                   :

Toedracht van het voorval:

Vermoedelijke oorzaak               :

Schade                                :              O            Personeel

                                                               O            Materieel

Personeel Letsel             :             

Materiële schade            :

Handelingen en omstandigheden na het ongeval:

Had het ongeval voorkomen kunnen worden: Ja / Nee

Zo ja, hoe had het voorkomen kunnen worden:

Overige relevante informatie:

Handtekening betrokken train(st)er


 

Bijlage 2

CHECKLISTEN voor Trainers

Kogelstoten

VEILIGHEID HOOGSTE PRIORITEIT !!!

Organisatie:

  1. bereidt je gedegen voor op de training;
  2. indien mogelijk tot en met de C-junioren een hulptrainer aanwezig tijdens de training;
  3. alleen stoten bij de kogelbak;
  4. bij pupillen: niet achteroverwerpen;
  5. zorg voor veilig vervoer van de kogel;
  6. gebruik duidelijke commando’s; (KLAAR---WERPEN---HALEN)
  7. Maximum aantal atleten kogeltraining: 10 (tien).

Bij klassikaal stoten: onderlinge afstand twee meter, 2e groep twee meter erachter.

SCHROOM NIET DE TRAINING TE STOPPEN, indien u als trainer dit noodzakelijk acht.

Discuswerpen

VEILIGHEID HOOGSTE PRIORITEIT !!!

Organisatie:

  1. bereidt je gedegen voor op de training;
  2. indien mogelijk tot en met de C-junioren een hulptrainer aanwezig tijdens de training;
  3. discuswerpen in principe alleen vanuit discusafwerpplaats (draaivorm);
  4. zijwaartse werpbeweging met visgraatopstelling (linkshandige werpers aan de linkerkant);
  5. bij rollen een rechte lijnopstelling;
  6. baken terrein ruim af voor de training (gebruik afzettingsmaterialen);
  7. zorg voor veilig vervoer van de discus;
  8. gebruik duidelijke commando’s; (KLAAR---WERPEN---HALEN)
  9. Maximum aantal atleten discustraining: 15 (vijftien).

Bij klassikaal werpen: onderlinge afstand drie meter, 2e groep drie meter erachter.

Nooit speer-en discuswerpen tegelijkertijd aan dezelfde kant trainen, maar aan weerszijden van het veld.

SCHROOM NIET DE TRAINING TE STOPPEN, indien u als trainer dit noodzakelijk acht.


 

Speerwerpen

VEILIGHEID HOOGSTE PRIORITEIT !!!

Organisatie:

  1. bereidt je gedegen voor op de training;
  2. indien mogelijk tot en met de C-junioren een hulptrainer aanwezig tijdens de training;
  3. zorg voor een veilige opstelling van de groep bij gezamenlijk werpen;
  4. baken terrein ruim af voor de training (gebruik afzettingsmaterialen);
  5. zorg voor veilig vervoer van de speer (rechtop dragen en punt naar beneden);
  6. gebruik duidelijke commando’s; (KLAAR---WERPEN---HALEN)
  7. Maximum aantal atleten speertraining: 15 (vijftien).

Bij klassikaal werpen: onderlinge afstand drie meter, 2e groep drie meter erachter.

Nooit speer-en discuswerpen tegelijkertijd aan dezelfde kant trainen, maar aan weerszijden van het veld.

SCHROOM NIET DE TRAINING TE STOPPEN, indien u als trainer dit noodzakelijk acht.


 

Bijlage 3

EHBO-materiaal: inhoud verbandtrommel

Hieronder staat de inhoud van een verbandtrommel, waarvan de inhoud voldoet aan de eisen die daaraan in het kader van de Arbo-wetgeving gesteld worden. De inhoud van deze koffer is berekend op ongelukken, maar wat minder op blessures. Denk dus ook aan elastische windsels om een drukverband mee aan te leggen en coldpacks / ijsblokjes in de vriezer.

Tip 1: Zorg ervoor dat de EHBO-kist goed bereikbaar is en de inhoud regelmatig wordt doorgelopen op voldoende voorraad en houdbaarheidsdatum.

De Commissie Wedstrijdcoördinatie is verantwoordelijk voor de EHBO-uitrusting.

Inhoud:

  • 4 stuks snelverband nr. 1
  • 2 stuks snelverband nr. 2
  • 1 pak witte watten 50 gr
  • 3 rollen Hydrofiel windsel 4 m x 6 cm
  • 2 rollen Cambric windsel 4 m x 6 cm
  • 1 doos gaaskompressen 16/16
  • 1 doos gaaskompressen 5/5
  • 1 doos Betadine jodiumpleisters
  • 1 fles Betadine
  • 1 rol vette watten
  • 1 rol leukoplast
  • 1 kaart veiligheidsspelden
  • 3 stuks driekante doeken 96 x 96 x 136
  • 1 stuk verbandschaar
  • 1 stuk pincet
  • 1 boekje letselregistratie


 

Bijlage 4

VEILIGHEIDSPROTOCOL VOOR BAANWEDSTRIJDEN

Wedstrijd           :

Plaats                   : Den Helder

Organisatie        : SV Noordkop

Voorzitter CWC               :

Wedstrijdleider              :

BHV-ers                             :

Communicatie

Telefoon wedstrijdleider           :

Telefoon kantine                           :

Microfonist                                      :

Aanwijzingen.

  • Op het wedstrijdterrein en tevens op de gehele accommodatie, dienen aanwijzingen van de
  • wedstrijdleider, de scheidsrechter of de jury-leden te worden opgevolgd.
  • Op de accommodatie, buiten het wedstrijdterrein, dienen aanwijzingen van sportparkpersoneel of vertegenwoordigers van de organiserende vereniging te worden opgevolgd.
  • Normaal gangbare en geldende gedrags-en fatsoensregels worden in acht genomen.

Ongevallen.

  • Bij ongevallen, blessures of anderszins op het wedstrijdterrein kan door deelnemers en juryleden een beroep worden gedaan op de aanwezige medewerkers van de EHBO Locatie.
  • Iedereen in relatie tot de wedstrijd aanwezig op de accommodatie kan een beroep doen op de geëigende hulporganisaties als vermeld in bijgaand overzicht.

Hulpmateriaal

Het volgende hulpmateriaal is aanwezig:

AED locatie         :

Coolpacks           :

Verbandkoffer                 :

BHV

De volgende persoon is aanwezig als BHV’er     :

Calamiteiten.

  • Bij calamiteiten op het wedstrijdterrein geldt de volgende procedure:
    • De wedstrijdleider is verantwoordelijk voor het veilige verloop van de wedstrijd.
    • In afwachting van de hulpdiensten worden aanwijzingen van de wedstrijdleider opgevolgd, zodat de baan toegankelijk is voor hulpdiensten.
    • De wedstrijdleider maakt zijn aanwijzingen via de microfonist bekend: Tevens worden kleedkamers en kantine op de hoogte gebracht van de genomen maatregelen.


 

Bij onweer:

  • de wedstrijdleider neemt de beslissing om te ontruimen, hij deelt dit mee aan alle betrokkenen via de microfonist alle juryleden met herkenbaar hesje alsmede de scheidsrechter en de starter nemen deelnemers en toeschouwers mee naar een afgesproken plaats.

Bij hoge temperaturen en of koude tegen onderkoeling

  • De wedstrijdleider neemt de beslissing als er ontruimd/gestaakt wordt en deelt dit via de microfonist mede aan alle betrokkenen.

Vluchtroutes:

  • Bij ontruiming wordt iedereen verzameld. Indien noodzakelijk worden alternatieve uitgangen door sportparkpersoneel geopend.

Adressen en telefoonnummers medische hulpdiensten

Dienst Naam Adres Telefoonnummer

EHBO                                   : 06-

Huisartsenpost                                :

Ziekenhuis                         :

Ambulance                        : 112

Brandweer                        : 112

Politie                                  : 112

Beheerder sportpark    :

Kantine                               :

Algemene aanwijzingen:

  • Voorafgaande aan de wedstrijd wordt aan elke chef jury het veiligheidsplan uitgereikt.
  • Bij het verstrekken van de materialen aan de jury wordt ook een felgekleurd hesje gegeven.
  • Elke organisatie werkt volgens hetzelfde format van het ontruimingsplan. Atleten en toeschouwers worden hiervan op de hoogte gebracht.
  • Advies: 1x per jaar oefenen.
  • Het aantal BHV’ers is afhankelijk van het te verwachten aantal deelnemers en toeschouwers. Arbo schrijft voor om voldoende BHV’ers in te zetten. Het aantal wordt bepaald door de organisatie i.s.m. de wedstrijdleider.
  • Indien wenselijk kunnen de BHV’ers worden ingeschakeld bij de ontruiming. (Zij weten immers de verschillende locaties beschreven in het veiligheidsplan)
  • Het ontruimingsplan wordt vooraf ter goedkeuring voorgelegd aan de wedstrijdleider.
  • Een plattegrond met daarop vluchtwegen en de noodzakelijke telefoonnummers dienen duidelijk op het wedstrijdterrein aanwezig te zijn.
  • Op de plattegrond zijn de vluchtroutes aangegeven, brandblusmiddelen, EHBO koffers, locale telefoon, plaats van AED apparaat, sleutels voor ontsluiting van het sportpark.
  • De toegang tot het sportpark dient autovrij te zijn zodat een ambulance ongehinderd tot aan de baan kan rijden.


 

Bijlage 5

Veiligheidsprotocol voor trainingen buiten het sportpark

“Voordat we de poort uitgaan……”

Tips en wenken om op verantwoorde wijze met groepen atleten op de openbare weg te

trainen.

Inleiding

Door de hype die er momenteel bestaat om meer en gezond te bewegen is het aantal loopgroepen bij verenigingen enorm gegroeid. Ook de loopgroepen die spontaan in den Lande ontstaan en niet zijn verbonden aan een atletiek vereniging groeien enorm. Denk daarbij aan loopgroepen die vanuit een sportschool starten of vrije loopgroepen die in steden en dorpen ontstaan en zich alleen bezig houden met wegatletiek op de openbare weg. Dat er daarbij zaken om de hoek komen kijken die anders zijn dan trainen op b.v. een baan moge duidelijk zijn.

De groepen begeven zich veelal op de openbare weg en gebruiken vaak fietspaden en openbare weg. In bossen en parken wordt gebruik gemaakt van fietspaden en/of wandelpaden. De veiligheidseisen die daarmee samenhangen moeten strikt worden opgevolgd wil men voorkomen dat de veiligheid anders in gevaar komt.

Dit document – tot stand gekomen vanuit praktische ervaringen uit het werkveld – heeft tot doel een bijdrage te leveren aan trainers en begeleiders om veilig op pad te gaan met loopgroepen. Het is de bedoeling geweest om deze wenken kort en overzichtelijk te houden. Inherent daaraan is (minder relevante) informatie achterwege gelaten. Voor een breder (beleids)perspectief t.a.v. gezond en veilig lopen verwijzen we u graag naar uitgebreidere stukken welke u bij de afdeling verenigingszaken van de Atletiekunie kunt opvragen. Dit stuk is tot stand gekomen met medewerking van Cees van Muiden, Gerard Nijboer en Xander Koesen.

Voor de groep op pad gaat

Voordat een loopgroep begint aan zijn training en de poort van de club verlaat of van elders vertrekt is het altijd handig om achterblijvers op de hoogte te brengen waar doorgaans de warming-up plaats zal vinden. Dit om eventuele laatkomers niet te ontmoedigen. Ook zal die bekendheid door alle groepsleden worden gewaardeerd indien de warming-up altijd op een vaste plek plaats vindt.

Vooraf telt de trainer de aantallen lopers die van start gaan. Dit wordt herhaald nadat de warming-up heeft plaats gevonden en gestart gaat worden met de kern van de training. Na afloop van de training telt de trainer nogmaals zijn schaapjes. Men voorkomt met deze handelswijze het ongemerkt zoekraken van leden. Indien leden onderweg afhaken om welke reden dan ook melden deze zich af bij de trainer. Bij een blessure gaat de betreffende atleet met een buddy terug naar de club of verzamelpunt. Probeer vooraf als trainer een inschatting te maken van je groepsleden t.a.v. de lichamelijke (en geestelijke) gesteldheid. Dit kan door observatie maar ook door rechtstreeks (individueel of groepsgewijs) te vragen naar bijzonderheden.

Veiligheidskleding en toebehoren

Indien er in de donkere dagen van het jaar buiten wordt getraind moeten alle groepsleden zijn voorzien van reflecterende sport kleding en schoen. Als extra kunnen reflecterende hesjes en/of reflecterende arm-, hoofd- en schouderbanden worden gedragen. Te allen tijden zullen koplopers en lopers in de staart van de groep moeten zijn voorzien van reflecterende kleding.

De groep wordt geïnstrueerd dat ze zelfs met reflecterende materiaal toch kwetsbaar blijven; vooral met slechte weersomstandigheden (regen, mist). N.B. tegenwoordig zijn er ook led-verlichtingsbanden voor lopers verkrijgbaar.

Grootte van de loopgroep

Om de veiligheid op straat te waarborgen mogen loopgroepen niet groter zijn dan 20-25 leden en is het gewenst dat er per groep 2 trainers aanwezig zijn. Grotere groepen zijn niet meer goed te begeleiden en zijn vaak een gevaar in het verkeer.

Op weg

Het is aan te bevelen een groep aan te laten sturen door een trainer die de wegen in de omgeving goed kent. Is het voor de trainer onbekend terrein, dan is het raadzaam dat de route van te voren wordt geïnspecteerd. Vooraf zijn dan de gevaren en de locaties waar deze de kop op kunnen steken bekend. De lopers gaan indien mogelijk 2 aan 2 de weg op en indien deze te smal is achter elkaar. Meer dan twee lopers naast elkaar kan alleen in open terrein, zoals op brede bospaden of op het strand. Probeer bij duisternis alleen verlichte paden te gebruiken.

Ten aanzien van het bepalen van waar men met de groep op de openbare weg gaat lopen gelden de volgende wettelijke verkeersregels:

1. Voetgangers gebruiken het trottoir of voetpad.

2. Zij gebruiken het fietspad indien trottoir en voetpad ontbreken.

3. Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan indien ook fietspad ontbreekt.

4. De voetganger mag zelf bepalen aan welke kant hij loopt. Meest logisch is die kant te kiezen waar men het best zichtbaar is / je overzicht hebt.

  • Bij grote groepen (20-25 deelnemers) wordt geadviseerd om bij afwezigheid van trottoir, voetpad en fietspad aan de uiterst rechterkant van de weg te lopen. Dit om het achterop komende verkeer beter de gelegenheid te geven veilig in te halen of te passeren net als dat het geval is bij b.v. fietsers. Daarbij heeft men tevens goed zicht op tegemoetkomend verkeer. Ook het invullen van b.v. de kern van de training (b.v. intervallen) geschied in bovenstaande omstandigheden op dezelfde wijze; aan de rechterkant.
  • Bij kleine groepjes (tot ± 4 / 5 personen) of wanneer men alleen loopt kan evt. gekozen worden aan de linkerkant te gaan lopen. De grotere flexibiliteit bij bijzondere (verkeer)situaties t.o.v. een grote groep geeft de mogelijkheid dit veilig te kunnen doen.
  • Buiten de bebouwde kom kan het bij bepaalde situaties veiliger zijn om met de grote groep - als uitzondering – de linker weghelft op te zoeken, bijvoorbeeld bij een onoverzichtelijke bocht. De leider geeft hiervoor dan het signaal.
  • Spreek af met de groepsleden dat de voorste leden waarschuwen bij gevaar van voren en de achterste lopers dit zelfde doen bij gevaar van achteren. Ook bij het passeren van bijvoorbeeld fietspaden waarop in het midden een paaltje staat is het raadzaam dit vooraf door de voorste lopers aan te laten geven. Maak duidelijk aan de groepsleden dat gevaren kenbaar worden gemaakt door krachtig en kort roepen: “paal, fiets, kuil, auto….. Het gebeurt nogal eens dat toch ongelukjes gebeuren doordat te weinig volume gebruikt wordt.

Opstelling trainer tijdens het lopen

¾ Links achter de groep tijdens het lopen (uitgaande van rechts van de weg lopen). In deze opstelling kan een trainer zonder al te veel moeite alle groepsleden tijdens het lopen observeren.

  • Het is verstandig vooraf met de groep af te spreken dat, indien er een oversteek of een stoplicht zich aandient, de oversteek pas plaats vindt indien de groep in zijn geheel en in 1 keer die oversteek kan maken.
  • Indien dit b.v. bij een versnelling niet gewenst is kan de trainer aangeven dat bij de oversteek of stoplichten de weg in omgekeerde volgorde wordt voortgezet zodat later de groep als geheel weer kan oversteken.
  • De trainer behoort als eerste bij een oversteek of stoplicht aanwezig te zijn en op zijn signaal wordt die oversteek gemaakt. Een goed opvallende deelnemer(s) kan aan beide zijde van de weg als verkeersregelaar(s) de groep laten oversteken.
  • Bij andere passages (denk aan uitritten e.d.) is het raadzaam dat de trainer voor het passeren van de groep al op die uitrit aanwezig is en bij het passeren van de laatste lopers de groep weer volgt.
  • Om voldoende overzicht te houden over een groep waarin verschillende tempo's gelopen worden, maakt de trainer (soms vooraf, maar vaak ook tijdens de training) afspraken over 'vegen'; het door de voorste lopers terugkeren naar de achterhoede.

Aandachtspunten en toebehoren van de trainer(s)

Indien de groep toch te groot wordt is het aan te bevelen de regie te behouden maar b.v. aan de assistent een deel van de groep toe te vertrouwen. Bij voorkeur heeft de assistent een (interne) opleiding genoten.

Maak aan het begin van elke training goed duidelijk wat je van de groep verwacht t.a.v. het gedisciplineerd lopen, gedrag bij oversteken en het lopen aan welke kant van de weg en met hoeveel naast elkaar. Ook kan overwogen worden om de rollen van trainer en assistent te splitsen. De hoofdtrainer draagt zorg voor inhoud, uitvoer van het trainingsprogramma. De assistent is het vangnet, “social talk”, toezicht op uitval en achterblijvers, etc.

Verder:

  • Tel bij elke training het aantal deelnemers voor en na de training.
  • Laat deelnemers zich bij jou afmelden indien ze niet verder kunnen of willen.
  • Elke trainer dient tijdens het trainen in het bezit te zijn van een mobiele telefoon. Hierin staan de belangrijke nummers zoals 112, club gebouw, andere trainers etc.
  • De trainer ziet toe op de bij de weersomstandigheden passende kleding.
  • Kennis van EHBO en REANIMATIE is zeer gewenst.      
  • Zorg voor een pakje met wat hulpmiddelen voor eerste hulp.
  • Zorg bij blessures en ongevallen dat:
    • erger voorkomen wordt;
    • je op de veiligheid van de groep let;
    • je rustig blijft en vriendelijk. Doe bij blessures niet altijd alles zelf maar kijk of het nuttig is deelnemers van de groep in te schakelen.
  • Hou een logboekje bij met alle bijzonderheden van de training: programma, uitvoer, intensiteit, reacties van de groep, fysieke klachten van individuele lopers, besproken thema’s, blessures / calamiteiten etc.….

Oudejaarsloop 2017

Inschrijving voor de Oudejaarsloop 2017 is geopend.
 Vult u alle gegevens a.u.b. correct in, dat maakt het voor de mensen bij de inschrijving een stuk eenvoudiger. Betaling bij ophalen startnummer. B.v.d.
oliebollen
 

Inschrijven? Klik hier........